IMG 4363

Social Media

TwitterBloggerLinkedinFacebookYoutube
 

KOOLHYDRATEN

Het wordt weer tijd om de kachel ‘s avonds eens lekker op te stoken. De houtkachel of de open haard wel te verstaan, want van de centrale verwarming zien we niet zoveel. Gezellig, al die knetterende vlammetjes in de huiskamer. Om de haard aan te maken verzamel ik eerst wat kleine stukjes hout. Die branden het snelst. Later komen de dikke blokken eikenhout aan de beurt. Het gebeurt me nog wel eens, dat die dikke stukken niet in de kachel passen Met veel tegenzin ben ik dan, met een dikke jas aan, in de tuin aan het hakken en zagen.  Als ze op de juiste lengte zijn kunnen ze uiteindelijk de kachel in.

Eigenlijk is ons lichaam ook een soort kacheltje, dat ons probeert warm te houden. De “houtblokken” kunnen dan koolhydraten, eiwitten of vetten zijn. Vooral koolhydraten zijn  snelwerkende brandstoffen. Vergelijkbaar met de kleine stukjes, waarmee de kachel wordt aangemaakt. Koolhydraten zijn suikers, die ontstaan in grote hoeveelheden in planten tijdens de fotosynthese. Het lichaam van ieder mens of dier kan alleen “monosachariden” verbranden. Deze komen voor in glucose (druivensuiker), fructose (vruchtensuiker), ribose (suiker uit 5 koolstofatomen) en galactose (maakt samen met glucose deel uit van lactose).

Naast warmte geeft het ook voeding aan de hersenpan. Zonder deze “glucosesiroop” is ons lieftallige duifje tot niets in staat. Al die “brandstoffen” zijn in groepen te verdelen. We beginnen met de aanmaakhoutjes.

Monosachariden. (dextrose en fructose).

Glucose wordt ook wel dextrose of druivensuiker genoemd. Monosachariden zijn de simpelste koolhydraten. Deze zijn weer in verschillende groepen onder te verdelen. Voor ons is het belangrijk om te weten, dat de meeste direct brandstof leveren om warm te blijven of om spierarbeid mee te verrichten ( de alfa- 1,4 verbindingen). Er zijn ook suikers die pas actief worden als b.v. tijdens een vlucht de vetten verbruikt zijn (de alfa- 1,6 verbindingen). 

De Disacharides. (lactose, maltose en sacharose).

Dit zijn al weer kleinere stukken van de boom. Als we ze in tweeen splitsen, passen ze in de kachel en kunnen ze gaan branden. Deze tweevoudige suikers zijn b.v. lactase uit melk en maltose uit gekiemde gerst. Ook sacharose behoort tot deze groep. Deze komt uit wortel- en bietsuiker. Proeven hebben aangetoond, dat meer dan 4% lactose over het voer of in het drinkwater moet worden vermeden. De niet afgebroken lactose komt in de dikke darm, waar ze maar voor een klein gedeelte door bacteriën kan worden omgezet. Bij dit proces wordt veel water aan de darm onttrokken. Teveel quark of yoghurt over het voer kan dus dunne mest veroorzaken.

De Polysacharides. (Cellulose, zetmeel en glycogeen)

Dit zijn “de hele bomen die nog in stukken gezaagd moeten worden om in de kachel te passen. Voor de duiven zijn dat de granen en peulvruchten, zoals mais erwten, gerst en tarwe. Ze behoren tot de zetmeelgroep. Er is ook nog een cellulosegroep. Deze ruwe celstof helpt om de verschillende soorten koolhydraten te verteren.

Het ene graan is sneller “in stukken gezaagd” dan het andere.

We deden de volgende test: op een hok met drie afdelingen werd op afdeling 1 een normaal kweekvoer gevoerd. Op afdeling 2:  80% mais en 20% kweekvoer. Op afdeling 3:  80% gepelde rijst en gepelde gerst (gort) + 20% kweekvoer. De duiven werden gelijktijdig losgelaten voor de training. De duiven die het kweekvoer kregen waren na het wegtrekken steeds  het eerste terug. Ze vlogen hun rondjes net boven het hok. De “maïsduiven” zaten veel hoger en de “rijst en gortduiven” waren als stippen in de lucht. Er waren dus drie kringen met duiven die op verschillende hoogtes vlogen. Na een half uur tot 45 minuten vlogen de “maïsduiven” het hoogst. Toen we de duiven die eerst kweekvoer kregen (afdeling 1) de maïsmengeling gaven, zagen we na een paar dagen dat zij na 45 minuten het hoogst gingen vliegen. We wisselden het voer steeds per afdeling, maar de resultaten bleven als hierboven omschreven. Hieruit kun je dus concluderen, dat de energie uit mais later op gang komt als die uit witte rijst en gort en dus dat mais waarschijnlijk uit meer soorten polysacharides bestaat dan witte rijst. Wellicht verklaart dit, dat duiven die op langere vluchten worden ingekorfd, wat mais bijgevoerd krijgen.

Glycogeen.

Al deze soorten suikers bij elkaar noemen we glycogeen. Als er energie verbruikt wordt in de kachel, wordt het hout zwart en er blijft er as over. Als de duif energie verbruikt, vindt er ook zo’n proces plaats. Het heet “fosforylyse”. Het enzym dat de fosforylyse katalyseert, breekt de alfa 1,4 verbindingen af. Dit zijn de “snelle koolhydraten”. Voor dit proces is vitamine B6. nodig. In de lever en in de spieren bevindt zich dit glycogeen.

Tijdens de vluchten.

Terwijl mensen tijdens zware inspanningen voor zo’n 60% op koolhydraten “lopen”, is dat bij duiven anders. De lever produceert glycogeen om het lichaam warm te houden. Voeren we meer glucose en glycogeen dan de duiven nodig hebben, dan worden er door de lever ook vetzuren van gemaakt. Via het bloed worden deze getransporteerd naar de rode spiercellen. Een deel van de glycogeen wordt via het bloed getransporteerd naar de witte spieren. Een duif heeft ongeveer 15% witte spieren en 85% rode. Dat is veel meer dan een kip, die bijna alleen witte spieren heeft. Veel rode spiervezels bevinden zich in de borst van de duif.

Indien we er voor zorgen dat er vlak voor een wedstrijd verhoudingsgewijs een hoog percentage glucose in het glycogeen bevindt, zal de verbranding beter en sneller verlopen. Ook zal daardoor de lever meer vetzuren produceren. Dit is de uitslag van een onderzoek van de universiteit uit Guelph in Canada. Dextrose toevoegen, een dag voor de wedstrijd in dus zinvol. Echter alleen bij korte vluchten geeft het een klein voordeel. Na 10 minuten is de brandstof uit de witte borstspier op. Een duif komt er mee op hoogte en op snelheid. Hierna worden de snelle suikers (de alfa 1,4 verbindingen) uit lever en bloed gehaald. Door enzymwerking na de verbranding van de glucose worden nu ook de di-sacharides en uiteindelijk de polysacharides gesplitst en omgezet tot monosacharides.  Daarna zijn de nog aanwezige vetzuren, die door de gift van zoveel suikers in de voeding door de lever werden omgezet in vetzuren. Deze bevinden zich nog in het bloed en waren eigenlijk al onderweg naar de rode spiervezels.  Al vrij snel  worden de vetten uit de rode spiervezels aangesproken. Via de lever worden ze naar de spiercellen getransporteerd. Na zo’n 40 tot 60 minuten verbruikt de duif alleen nog maar vetzuren uit de rode spiervezels. Vetten hebben het voordeel geen of nauwelijks verbrandingsafval achter te laten maar verbranden minder snel dan glycogeen. De duif kan op glycogeen het snelst vliegen (meer vleugelslagen per minuut). Toch leveren de vetzuren meer energie, n.l.  9,2 Kilocalorieën per kilogram. Koolhydraten  leveren 4,0 Kilocalorieën per kg.

De houtkorf.

Als de duif op zijn vetten als brandstof vliegt en er komt een roofvogel op zijn weg, zal deze direct zijn nog aanwezige glycogeen (alfa 1,6 verbindingen) gaan gebruiken om snel uit de voeten te komen. Dit zijn zeg maar de reserve aanmaakhoutjes in de houtkorf. Het is kant en klaar voor gebruik, om de kachel als het nodig is, snel weer op te stoken.

Na de vlucht.

De duif verbruikt dus als eerste glucose en glycogeen (de alfa 1,4 verbindingen), daarna vetten. Als de duif al zijn vetzuren heeft verbruikt zal hij de nog aanwezige glycogeen (de alfa 1,6 verbindingen) aanspreken. Als deze ook verbruikt zijn, zal de duif “aan zijn karakter komen”. Dat betekent, dat hij of zij zijn eigen spieren gaat verbranden, de eiwitten dus. Er zijn veel duiven met minder karakter. Deze gaan rusten, water en voer zoeken. Als ze nog thuis komen, dan in ieder geval veel te laat. De “karakterduiven” gaan door. Deze eiwitverbranding of spierverbranding gaat gepaard met spierkrampen en is voor de duif heel onaangenaam. Een duif die dit overkomt, zal vaak weken nodig hebben voor herstel. 

Het voeren van koolhydraatrijk voer na een vlucht is heel belangrijk. Heeft de duif al zijn glycogeen verbruikt en zal behoefte hebben om het kacheltje wat uitgegaan is, snel weer aan te kunnen maken.